Ideeën en gevoelens van de moeder en het geven van borstvoeding 

De voordelen van borstvoeding zijn bekend. De WereldGezondheidsOrganisatie (WHO) raadt dan ook aan om de eerste zes maanden borstvoeding te geven. Uit onderzoek van TNO blijkt dat 77 procent van de Nederlandse vrouwen die met borstvoeding beginnen, stoppen voordat de 6 maanden om zijn . 54 procent van de vrouwen geeft één maand na de bevalling nog borstvoeding en na drie maanden is dit percentage gedaald tot 35 procent. Slechts een kwart van de Nederlandse vrouwen volgt het advies van de WHO op en geeft zes maanden lang borstvoeding. Waarom stoppen vrouwen vroegtijdig met het geven van borstvoeding? Danuta Wojnar onderzocht welke verschillende opvattingen moeders hebben die wel of niet doorgaan met borstvoeding. Ze vroeg hoe moeders aankeken tegen hun kind, wat hun ervaringen met het geven van borstvoeding waren en hoe ze aankeken tegen hun eigen rol als moeder.

Aan het onderzoek van Wojnar deden 110 vrouwen mee uit Oost Canada. De meeste vrouwen waren zwanger van hun eerste kindje, waren ouder dan 25 jaar, waren hoogopgeleid en hadden een partner. Met een vragenlijst werd gevraagd naar gevoelens en gedachten. Zes weken na de geboorte van hun kind, werd de vrouwen telefonisch gevraagd of ze (nog) borstvoeding gaven.
74,8% van de vrouwen gaf borstvoeding en 25,2% was hiermee gestopt. De ideeën en gevoelens van de moeder bleken hierbij een rol te spelen. Hoe meer een moeder haar kind als alert en responsief beschouwde, hoe groter de kans was dat zij na zes weken nog borstvoeding gaf. Ook het vertrouwen van een vrouw in het kunnen geven van borstvoeding droeg hier aan bij. Wanneer het kind volgens de moeder huilerig en geïrriteerd was tijdens het voeden, was de kans groter dat deze moeder stopte met het geven van borstvoeding.
De meeste vrouwen waren positief over het geven van borstvoeding. Moeders hadden het idee dat ze door deze ervaring veel leerden over het gedrag en de signalen van hun kind. Dit droeg bij aan gevoelens van geluk en trots. Vrouwen die negatieve ervaringen hadden met borstvoeding geven, noemden vooral dat dit kwam door onvoldoende melkproductie, door ziekte en door problemen met de combinatie van borstvoeding en andere activiteiten, zoals werk.
De steekproef was niet representatief (leeftijd, opleiding, partner). Verder was het telefonische interview niet strak geregisseerd en zouden er fouten gemaakt kunnen zijn bij het noteren van de antwoorden van de deelneemsters. Om echt iets te kunnen zeggen over de effecten van de ideeën van moeders over het geven van borstvoeding, moet een meer gevarieerde groep vrouwen onderzocht worden. Het leuke van dit onderzoek was echter wel dat de moeders aangaven dat borstvoeding niet alleen van belang is voor gezondheid van het kind, maar ook voor het contact tussen moeder en kind. Hieruit zou afgeleid kunnen worden dat borstvoeding geven juist belangrijk is voor huilerige en snel geïrriteerde baby’s, terwijl nu juist deze groep minder vaak borstvoeding krijgt dan andere kinderen. Het zou interessant zijn om te onderzoeken of moeders die ondanks het huilerige gedrag van hun baby toch doorgaan met borstvoeding geven later rapporteren dat hun kind rustiger is geworden.

Uit: Wojnar, D. (2004). Maternal perceptions of early breastfeeding experiences and breastfeeding outcomes at 6 weeks. Clinical Effectiveness in Nursing, 8, 93–100.