Mijn baby is de beste…


   Onderzoek van de lange adem. Dat mag het onderzoek van Elsie Broussard en Jude Cassidy gerust genoemd worden1. Oorspronkelijk was Broussard kinderarts in een ziekenhuis in Pittsburgh. Het viel haar op dat moeders zo verschillend reageerden op hun pasgeboren baby. Sommige moeders waren van begin af aan blij en trots op hun baby. Zo makkelijk en vrolijk waren de meeste andere baby’s niet volgens deze moeders. Wat bleek: moeders die hun baby ‘beter’ vonden dan gemiddeld, hadden vaker kinderen die psychisch en sociaal goed functioneerden dan moeders die hun baby als ‘even goed’ of ‘slechter’ hadden beoordeeld. Deze verschillen werden zelfs gevonden toen de kinderen 19 jaar oud waren. 

    Nu wilden de onderzoekers weten of deze kinderen ook als volwassenen op een positieve en evenwichtige manier terugkeken op hun jeugd. Ze zochten 26 volwassenen op die nog steeds in de buurt van het Pittsburghse ziekenhuis woonden. Wat bleek? De beleving die hun moeder van hen had als baby was 30 a 40 jaar later nog steeds voorspellend voor de manier waarop deze kinderen aankeken tegen hun jeugd. 

   Het is interessant om te lezen hoe verschillend er wordt gereageerd op dit onderzoek2. Terecht wordt er op gewezen dat het onderzoek meer vragen opwerpt dan beantwoordt. Worden de positieve en negatieve percepties van de moeders doorgegeven via het opvoedingsgedrag? Of is het simpelweg een kwestie van genetische eigenschappen die moeder en kind delen? Ook kan kritiek worden gegeven op de keuze van de onderzoekers om alleen kinderen te benaderen die in de buurt van het ziekenhuis waren blijven wonen. Ook in Pittsburgh zijn er ongetwijfeld prettige en minder prettige buurten. Die omgeving bepaalt niet alleen de moeders in hun positivisme, maar ook de kinderen. En wat van de vaders? Is dit weer een ouderwets voorbeeld van ‘blaming the mother’?

De belangrijkste kritiek die je op het onderzoek kan hebben, is dat het onderzoek veel te beperkt is opgezet. Toegegeven, een statistisch significant verband over een periode van 30 tot 40 jaar is voor ontwikkelingsonderzoekers een fascinerend gegeven. Maar met 26 deelnemers is het ondoenlijk om de echt interessante vragen te beantwoorden. Zoals de vraag of een positieve blik van de ouders helpt als er sprake is van tegenslagen of risicofactoren? De vraag is verder of een positieve visie op je baby ook te ver kan doorschieten. Tenslotte hangt positivisme samen met maatschappelijke ongelijkheid, en kinderen die opgroeien in maatschappelijke voorspoed lopen minder risico’s lopen in hun ontwikkeling. 

   Hoewel je respect moet hebben voor de gedrevenheid en vasthoudendheid van de Pittsburghse onderzoekers, moeten onderzoekers heden ten dage minder naïef zijn. Er zijn verschillende wegen naar Rome. En daarnaast wil niet iedereen naar Rome. Het mooie van onderzoek naar relaties tussen ouders en kinderen is dat deze relaties veranderlijk zijn en voortdurend worden verrijkt door gedeelde ervaringen. Onderzoekers moeten daarom niet alleen het kind volgen, maar ook de relaties die kinderen onderhouden met belangrijke anderen. En dan zal vast blijken dat er ook in het beeld dat ouders van hun kind hebben, veel kan veranderen…

1 Broussard, E., & Cassidy, J. (2010). Maternal perception of newborns predicts attachment organization in middle adulthood. Attachment & Human Development, 12, 159-172 DOI: 10.1080/14616730903282464
2 http://bps-research-digest.blogspot.com/2010/03/thirty-years-on-babies-judged.html